Symptomen van broddelen

De symptomen van broddelen zijn zeer divers en bestaan uit:

Wat gaat er zoal mis bij broddelen?

De symptomen bij broddelen bestaan uit zogenoemde normale niet-vloeiendheden; dit zijn slordigheden die bij iedereen in de spraak voorkomen. Bij mensen die broddelen gebeurt dat alleen een stuk vaker dan bij vloeiende sprekers en mensen die stotteren.

Verschillen met stotteren

Stotteren en broddelen verschillen (sterk) van elkaar op onder meer de volgende gebieden:

Stotterende sprekers kennen een strijd om te zeggen wat al gepland is; bij mensen die broddelen is deze planning juist vaak nog niet rond. Broddelen is dan ook een defect in de timing en planning van taal, waar stotteren wordt gezien als een defect in de spraakmotoriek (de aansturing van de spreekspieren). Beide aandoeningen kennen hun eigen specifieke symptomen en vragen om een andere behandeling.

Stotteraars hebben gespannen blokkades en/of verlengingen in hun spraak (vechtgedrag of “stotter-niet-vloeiendheden”); bij broddelaars komen de niet-vloeiendheden er op een ontspannen manier uit (“normale niet-vloeiendheden”). Broddelaars produceren relatief veel normale niet-vloeiendheden, stotteraars niet.

Broddelaars hebben moeite hun spreeksnelheid onder controle te houden. Het spreektempo van stotteraars is constanter dan dat van broddelaars. Stotteraars zijn (net als vloeiende sprekers) gemakkelijker in staat hun spreektempo aan te passen als de situatie daarom vraagt.

Stotteraars zijn zich uitstekend bewust van de onvolkomenheden in hun spraak; broddelaars niet. Het is de reden waarom stotteraars vaak spreek- of klankangst hebben, in tegenstelling tot broddelaars. Wél kan bij broddelaars communicatieangst ontstaan, de angst om niet door anderen begrepen te worden.

Als broddelaars zich goed op hun spreken concentreren, verbetert hun spraak direct; bij stotteraars werkt dat net andersom.

Bij een moeilijk gespreksonderwerp komen broddelaars vaak slechter uit hun woorden; voor stotteraars maakt de moeilijkheidsgraad van het onderwerp niet uit.

Spreken in een vreemde taal gaat bij broddelaars beter; bij stotteraars slechter.

Hardop lezen van een onbekende tekst gaat bij broddelaars beter; bij stotteraars slechter. Bij het hardop lezen van een bekende tekst is dat andersom.

Broddelaars zijn (een stuk) drukker in hun fysieke voorkomen (lichaamstaal) dan stotteraars.

Die taalplanning, hoe zit dat?

Stotteraars weten wat ze willen zeggen, maar krijgen de klanken er soms moeizaam uit. Broddelaars weten dat juist vaak nog niet. Stotteren wordt gezien als een stoornis in de spraakmotoriek, broddelen als een probleem met de taalplanning. Maar hoe uit die verstoorde taalplanning zich nu?