Onderzoek broddelen

De laatste jaren wordt over de hele wereld in toenemende mate onderzoek naar broddelen gedaan. Ook worden steeds meer (aankomende) stottertherapeuten opgeleid in hoe ze broddelen van stotteren kunnen onderscheiden. Dat is weleens anders geweest. In de Journal of Fluency Disorders van 1996, die volledig is gewijd aan broddelen, staat vermeld dat tussen 1964 en 1996 in de internationale vakliteratuur slechts 36 artikelen of hoofdstukken zijn verschenen over broddelen, bijzonder weinig in verhouding met bijvoorbeeld stotteren. Een belangrijke oorzaak hiervoor is dat broddelen lange tijd geen eenduidige en internationaal geaccepteerde definitie kende. Dit bemoeilijkte niet alleen wetenschappelijk onderzoek naar broddelen maar ook de diagnose en behandeling van cliënten. Onderzoek naar broddelen begon vooral in Europa. In de Verenigde Staten daarentegen werd deze stoornis lange tijd slechts terloops of zelfs helemaal niet vernoemd. Pas aan het eind van de twintigste eeuw verscheen ook in Amerika een handvol publicaties die het verschil tussen stotteren en broddelen wisten te duiden. Sindsdien is het hard gegaan. Toch blijft het moeilijk consensus te krijgen over de precieze wetenschappelijke definitie van broddelen. Wél zijn deskundigen zijn het er al lang en breed over eens dat broddelen unieke onderscheidende kenmerken heeft ten opzichte van stotteren. Onderzoek naar broddelen zal de komende jaren onverminderd door blijven gaan.

Definitie broddelen

Een van de pioniers in wetenschappelijk onderzoek naar broddelen is professor Ken St. Louis geweest. In de jaren 90 en later heeft St. Louis een poging gedaan om tot een betere afbakening van broddelen te komen. Hij voerde daarom een aantal studies uit waarbij individuen met een mogelijke diagnose van broddelen zijn vergeleken met stotteraars en reguliere sprekers. Dit vergelijkende onderzoek leidde tot een werkdefinitie die tot op de dag van vandaag wordt gebruikt.

Naast een te hoge en/of onregelmatige spreeksnelheid dient bij broddelen standaard een of meerdere van de volgende kernkarakteristieken aanwezig te zijn: 

  • een hoge frequentie normale niet-vloeiendheden (onder meer zinsrevisies, herhalingen, etc.);
  • een onjuist gebruik van pauzes (te veel, te weinig, te kort, op onlogische plaatsen) en/of een onjuiste beklemtoning en spreekritme;
  • onjuiste woord- of zinstructuren (in elkaar schuiven of weglaten van lettergrepen, verwisselen van klinkers, etc.).

Deze definitie geeft voldoende ruimte aan het feit dat naast bovengenoemde symptomen vaak nog andere symptomen bij broddelen voorkomen. Broddelen wordt meer en meer beschouwd als een stoornis die samen voorkomt met bijvoorbeeld andere communicatiestoornissen, taalstoornissen, leerstoornissen en/of aandachtstoornissen.

Prevalentie broddelen

Omdat er nog geen internationaal gebruikte definitie van broddelen is, zijn er ook geen duidelijke cijfers over de prevalentie van broddelen bekend (de frequentie waarmee de stoornis voorkomt). Broddelaars zijn zich daarnaast niet altijd bewust van hun symptomen, waardoor ze minder vaak professionele hulp zoeken. Ook komt broddelen vaak voor in combinatie met stotteren. Dit bemoeilijkt de precieze bepaling van de prevalentie.

Bij de volwassen bevolking wordt 1-2 % beschouwd als een niet-vloeiende spreker. Zuivere broddelen zou voorkomen bij 5-16% van de niet-vloeiende sprekers, waarbij 21-67% van de stotteraars ook broddelenkenmerken zou vertonen. Broddelen lijkt daarmee vaker voor te komen dan de literatuur suggereert. Er zijn zelfs aanwijzingen dat broddelen en stotteren nagenoeg even vaak voorkomen. Broddelen lijkt vaker voor te komen bij mannen dan bij vrouwen en wel in ongeveer dezelfde verhouding (4:1) als bij stotteren het geval is. Bovengenoemde cijfers moeten echter met voorzichtigheid worden gebruikt, temeer omdat ze niet zijn gebaseerd op dezelfde definitie.